De taxi
MARIT — LID SINDS 2024 · INGELEZEN DOOR DE AUTEUR
De taxi kwam om kwart voor acht en ik was al twintig minuten klaar. Dat is niets bijzonders, behalve dat ik in die twintig minuten drie keer naar de spiegel was gegaan en er drie keer iets anders had gezien.
Ik had de jurk gekozen die ik nooit aan heb. Niet omdat hij te veel is — hij is niets. Een donkergroene jurk met een rug die lager uitkomt dan mijn hand kan. Hij hangt sinds vier jaar in de kast omdat er nergens een avond was waar hij naartoe kon.
Joris kwam de trap af terwijl ik mijn oorbel indeed en bleef staan zonder iets te zeggen. Dat is bij ons een compliment; hij praat pas als hij het gevonden heeft. „Niet doen,” zei ik, „anders moet ik weer opnieuw beginnen.”
In de taxi hield ik mijn jas dicht. Niet uit schaamte, maar omdat het buiten koud was en omdat het iets was om vast te houden. De chauffeur reed de gracht af en het licht van de bruggen kwam in vlakken door de ruit — aan, uit, aan.
We hadden afgesproken dat we er niet over zouden praten in de auto. Dat was mijn afspraak; ik was bang dat ik zou gaan uitleggen. Twee bruggen hielden we het.
„Ik hoop dat iemand naar je kijkt,” zei hij ineens. Hij zei het naar het raam, niet naar mij, alsof hij het aan de stad vertelde.
Ik heb daar niet op geantwoord. Ik keek naar buiten en voelde mijn hele nek warm worden, en ik hoopte dat de chauffeur precies op dat moment naar links keek.
Wat hij zei, is niet wat je verwacht van een man die achttien jaar met je is. Je verwacht dat hij zoiets moeilijk vindt, of dat hij het uit ruimhartigheid zegt en het daarna terugneemt. Maar zo klonk het niet. Het klonk als iets wat hij lang had willen zeggen en waar hij eindelijk een avond voor had.
En het gekke is: het maakte mij niet vrijer, het maakte mij hongerig. Ik wilde niet dat iemand naar mij keek. Ik wilde dat hij zou zien dat iemand naar mij keek.
Bij de tweede brug legde hij zijn hand op mijn knie, over de jas heen, alsof hij zich vergiste in de stof. Ik heb hem daar laten liggen. We zeiden verder niets tot de chauffeur onze straat noemde en vroeg of het nummer 44 was.
„46,” zei Joris. „Het huis met de luiken.”
Ik heb bij de deur nog één keer mijn jas rechtgetrokken en toen liet ik hem in de garderobe achter. Er stond iemand met een lijst en een glas, en zij zei alleen: „Goedenavond, jullie zijn de eersten.”
Van de rest van de avond onthoud ik minder dan van die rit. Dat is wat niemand je vertelt — dat het niet de kamer is die je bijblijft, maar de twintig minuten ervoor, en één zin die iemand tegen een ruit zegt.
Op de terugweg, om half drie, in dezelfde taxi maar met een andere chauffeur, vroeg hij of hij het had mogen zeggen. „Ja,” zei ik. „Zeg het volgende keer eerder.”
Herken je iets? Leg het naast de gespreksoefening — dan weet je of het bij jullie allebei zo werkt.